toegang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toegang toegangen
verkleinwoord toegangetje toegangetjes

Zelfstandig naamwoord

toegang m

  1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
    • De toegang werd versperd door een groot rotsblok. 
  2. het kunnen of mogen binnenkomen of gebruik van maken
    • De biograaf kreeg toegang tot het persoonlijk archief van de koning. 
    • De toegang is verboden voor onbevoegden. 
     `Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16