noodgang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] noodgang
Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodgang noodgangen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

noodgang m

  1. een gang die men kan gebruiken om te ontsnappen aan gevaar
    • Ik zag ze bij de ingang staan en dacht, hier komen we nooit meer uit. Plots ging de deur van de noodgang open en ik ben daar als een idioot naartoe gekropen. Er lagen al dode mensen." [1] 
  2. met een gevaarlijk hoge snelheid
    • Inmiddels zijn al veertien aanrijdingen met fietsers geregistreerd, het werkelijke aantal ligt wellicht hoger. Niemand overleed, maar serieuze aanrijdingen waren er wel. Buurtbewoner Simon de Vries, die op zijn fiets bij het gezelschap is komen staan, wijst op het verkeer van de ventweg dat met een noodgang de weg op draait. Het hele ontwerp van de rotonde is een vergissing, vindt hij. Lévensgevaarlijk. [2] 
    • Geen trucs, geen knippen en plakken, maar puur skateboarden, zweren de makers van de laatste extreme video van Liam Morgan. Hij gaat écht met deze noodgang naar beneden, en hij ontwijkt écht dat tegemoetkomende verkeer. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia 14-11-2015
  2. de Standaard 08 MAART 2016 Carola Houtekamer
  3. NRC Niels Posthumus 3 november 2013