Naar inhoud springen

gangen

Uit WikiWoordenboek
  • gan·gen

degangenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gang
     ' 'Wat hebben ze met haar gedaan?' Omdat zijn paniekerige blik oprecht leek, liet ze zich vermurwen en vertelde ze hem over Jorge en Gregorio, het afknippen van Teresa's haar, de wonderolie, het middernachtelijke ijsberen door de gangen van de finca.[1]
     Twee dagen en nachten verblijft hij in het ziekenhuis, die tussenzone, in de luchtdichte kamers en gangen van de kinderpoli.[2]
  • iemands gangen nagaan
controleren waar iemand geweest is
 Maar ga ik hem dan controleren? Zijn gangen nagaan? Inspector Gadget zijn in mijn eigen huis? Wie wordt daar gelukkig van? Kan ik mijn eigen huis nog stutten? Natuurlijk kan ik dat.[3]
 Otto ook niet, en hij zou toch nooit uit zichzelf aan een onbekende schrijven? Nella voelt zich bekeken, alsof iemand haar gangen nagaat.[4]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  • gan·gen
Naar frequentie 11872

gangen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van gang
  • gan·gen
Naar frequentie 544

gangen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van gang
  • gan·gen

gangen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van gang