ganger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gan·ger
enkelvoud meervoud
naamwoord ganger -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ganger [1]

  1. iemand die gaat
Hyponiemen

Gangbaarheid

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • gan·ger
Naar frequentie 20012

Werkwoord

ganger

  1. tegenwoordige tijd van gange


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • gan·ger
Naar frequentie 328

Zelfstandig naamwoord

ganger

  1. nominatief onbepaald mannelijk meervoud van gang
Uitdrukkingen en gezegden
  • flere ganger
meerdere malen
meermalen
verscheidene malen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • gan·ger

Zelfstandig naamwoord

ganger

  1. nominatief onbepaald mannelijk meervoud van gang