auto

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: auto-autó
Een auto

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord auto auto's
verkleinwoord autootje autootjes

Zelfstandig naamwoord

auto m

  1. (techniek), (verkeer) een voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
    Ik ga nooit met de auto naar mijn werk.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Meroniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van het Oudgriekse αὐτός, wat zelf betekent.

Zelfstandig naamwoord

auto

  1. auto


Slowaaks

Uitspraak
  • IPA: /aʊ̯tɔ/
Woordafbreking
  • au·to

Zelfstandig naamwoord

auto o

  1. (verkeer) auto
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /aʊ̯tɔ/
Woordafbreking
  • au·to
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het zelfstandig naamwoord automobil

Zelfstandig naamwoord

auto o

  1. (verkeer) auto
    «Auto zaparkoval na přilehlém parkovišti.»
    De auto heeft hij op de naastgelegen parkeerplaats geparkeerd.
Verbuiging
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Verwijzingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen