automobiel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord automobiel automobielen
verkleinwoord automobieltje automobieltjes
Woordafbreking
  • au·to·mo·biel
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

automobiel o

  1. (verkeer) gemotoriseerd voertuig op vier of meer wielen, auto
Overerving en ontlening
Vertalingen