stuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Fietsstuur
Uitspraak
Woordafbreking
  • stuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stuur sturen
verkleinwoord stuurtje stuurtjes

Zelfstandig naamwoord

stuur o

  1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
    • De politie vond bloedsporen op het stuur van de auto. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
sturen

stuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sturen
    • Ik stuur. 
  2. gebiedende wijs van sturen
    • Stuur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sturen
    • Stuur je? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen