Naar inhoud springen

stuur

Uit WikiWoordenboek
Fietsstuur
  • stuur
enkelvoud meervoud
naamwoord stuur sturen
verkleinwoord stuurtje stuurtjes

hetstuuro

  1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
    • De politie vond bloedsporen op het stuur van de auto. 
     Ze fietste met één hand aan het stuur en duwde met haar andere hand Arnold.[2]
     Met beide handen stevig om het stuur geklemd trotseerde de chauffeur de rukwinden en de afwisselende regen-, sneeuw- en hagelvlagen, en stuurde de auto veilig over de Sint-Pietersweg richting Battenoord.[2]
vervoeging van
sturen

stuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sturen
    • Ik stuur. 
  2. gebiedende wijs van sturen
    • Stuur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sturen
    • Stuur je? 
     Ik stuur Jos een berichtje.[3]
     Zet je vertrekdatum alvast in je agenda en stuur me een kaartje als je onderweg bent, zo kan ik ook een beetje van jouw avontuur meegenieten.[4]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. stuur op website: Etymologiebank.nl
  2. 1 2
    Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be