autodek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

autodek
Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·dek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autodek autodekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

autodek o

  1. dek van een (veer)boot waarop auto's vervoerd worden
    • Op de veerboot met 466 inzittenden brak zondagochtend in alle vroegte brand uit op een autodek. Drie Nederlanders zijn nog op het schip. [1] 
    • Als het goed is, krijgt bemanning op veerboten, de zogeheten roll-on-roll-off (ro-ro)-passagiersschepen, met enige regelmaat training wat ze moeten doen in geval van een noodsituatie, zoals een plotselinge brand op het autodek. [2] 
  2. etage van een parkeergarage
    • De Dienst Milieu en Bouwtoezicht van het stadsdeel Osdorp ontdekte eind november scheuren in de constructie bij de aanleg van een roltrap van het autodek van de parkeergarage naar de supermarkt eronder. De garage werd ontruimd en een van de balken in de hal moest worden gestut. De ontruiming betrof in eerste instantie ook de supermarkt en twee winkels, maar die mochten na een dag weer open. [3] 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen