autostop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·stop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autostop autostops
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

autostop m

  1. (verkeer) lift, reis met de duim
    • Wij probeerden met autostop naar Spanje te reizen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.


Pools

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·stop

Zelfstandig naamwoord

autostop m

  1. (verkeer) het liften; het, met een langs de weg aangehouden auto, als gratis passagier meerijden
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

autostop m

  1. (verkeer) het liften; het, met een langs de weg aangehouden auto, als gratis passagier meerijden
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /aʊ̯tɔstɔp/
Woordafbreking
  • auto·stop
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van de zelfstandige naamwoorden auto en stop

Zelfstandig naamwoord

autostop monbezield

  1. (verkeer) het liften; het, met een langs de weg aangehouden auto, als gratis passagier meerijden
    «Méně než půl procenta lidí chce na dovolenou vyrazit na motorce, lodí nebo autostopem
    Minder dan een half procent mensen wil op vakantie gaan op een motor, met een boot of door te liften.
Verbuiging
Synoniemen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Meer informatie