autostop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·stop
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autostop autostops
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

autostop m

  1. (verkeer) lift, reis met de duim
    • Wij probeerden met autostop naar Spanje te reizen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.