autobus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
autobus

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·bus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autobus autobussen
verkleinwoord autobusje autobusjes

Zelfstandig naamwoord

autobus m

  1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
    Gaan jullie per trein of per autobus?
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie


Slowaaks

Uitspraak
  • IPA: /aʊ̯tɔbʊs/

Zelfstandig naamwoord

autobus m

  1. (verkeer) autobus
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • nastúpiť do autobusu - instappen in een autobus
  • vystúpiť z autobusu - uitstappen uit een autobus
Verwante begrippen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /aʊ̯tɔbʊs/


Woordafbreking
  • au·to·bus


Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

autobus m onbezield

  1. (verkeer) autobus
Verbuiging
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen


Verwijzingen

Meer informatie