autostoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·stoel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autostoel autostoelen
verkleinwoord autostoeltje autostoeltjes

Zelfstandig naamwoord

autostoel m

  1. een zitplaats in een auto
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.