wiel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wiel
enkelvoud meervoud
naamwoord wiel wielen
verkleinwoord wieltje wieltjes

Zelfstandig naamwoord

wiel o

  1. ronddraaiende schijf voor voortbeweging met minimale weerstand [1]
  2. een poel net achter de dijk, ontstaan door verspoeling tijdens een dijkdoorbraak [2]
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

het wiel uitvinden

Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
wielen

wiel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wielen
    • Ik wiel. 
  2. gebiedende wijs van wielen
    • Wiel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wielen
    • Wiel je?