dashboard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

dashboard
Uitspraak
Woordafbreking
  • dash·board
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘instrumentenpaneel in auto e.d.’ voor het eerst aangetroffen in 1937 [1]
  • samenstelling van  dash ww  en  board zn  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord dashboard (dashboarden)
dashboards
verkleinwoord dashboardje dashboardjes

Zelfstandig naamwoord

dashboard o

  1. instrumentenbord meestal van een auto
     Dan heeft deze auto ook nog het Style+ pakket (€426) dat bestaat uit chromen sierlijsten, vermoeidheidsherkenning, chromen sierlijsten op de portieren, gekleurde panelen in het dashboard en het dak én de voorste raamstijl en de spiegelkappen in een afwijkende kleur.[3]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

dashboard

  1. dashboard instrumentenbord