autopark

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

autopark
Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·park
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autopark autoparken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

het autoparko

  1. verzameling auto's die een organisatie of bedrijf tot zijn beschikking heeft
     Enorme huizen in meerdere wereldsteden, motorjachten, privévliegtuigen, een autopark en vooral veel bladgoud op meubels, trapleuningen, wc's en badkuipen lijken verplichte parafernalia van de Russische rijken.[2]
  2. verzameling van alle auto's die in een land rijden
     Maar volgens De Boer zullen scherpe grenzen in de bijtelling de markt toch zwaar verstoren en de werkgelegenheid verder onder druk zetten. "Dit gaat de overheid ongetwijfeld weer veel geld kosten, terwijl het Nederlandse zakelijke autopark al het zuinigste van Europa is. De branche is toe aan een vrije, in plaats van een door de overheid gestuurde markt."[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. “Het brilletje van Tsjechov : reizen door Rusland” (2014), Atlas Contact op Wikipedia, ISBN 9789045024875
  3. Bronlink geraadpleegd op 17 april 2022 Weblink bron “Auto-importeurs zijn woedend op kabinet” (31-10-2014), NOS