wagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voertuig’ voor het eerst aangetroffen in 838 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord wagen wagens
verkleinwoord wagentje wagentjes

Zelfstandig naamwoord

wagen m

  1. een kar
  2. (verkeer) een auto
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord waag
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wagen
waagde
gewaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

wagen

  1. overgankelijk iets riskants ondernemen
    • Er werd een poging gewaagd de rivier over te steken. 
  2. wederkerend zich ~ : een risico op zich laden
    • Daar waagde hij zich niet aan. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Duits

Woordafbreking
  • wa·gen

Werkwoord

wagen

  1. wagen