portier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • por·tier
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘deur van voertuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1667 [1]
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘deurwachter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1301 [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord portier portiers
verkleinwoord portiertje portiertjes

Zelfstandig naamwoord

portier m

  1. (beroep) Persoon die bij de deur staat om te bepalen wie wel en wie niet binnen mag
    • De portier weigerde de dronken man toegang te verlenen. 
enkelvoud meervoud
naamwoord portier portieren
verkleinwoord portiertje portiertjes

Zelfstandig naamwoord

portier o

  1. autodeur
    • Het plotseling geopende portier veroorzaakte een ongeluk waarbij een fietser ten val kwam. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen