automotor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·mo·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord automotor automotoren
automotors
verkleinwoord automotortje automotortjes

Zelfstandig naamwoord

automotor m

  1. (werktuigbouwkunde) in een auto geplaatste of te plaatsen motor

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.