autoradio

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·ra·dio
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autoradio autoradio's
verkleinwoord autoradiootje autoradiootjes

Zelfstandig naamwoord

autoradio m [1]

  1. in een auto ingebouwde radio (vaak tevens voorzien van cd-speler etc.)
    • In de spreektaal heeft men het nog steeds over de autoradio, maar in de praktijk is het ondertussen een multimediaal instrument, dat ook een functie kan hebben in telefonie en navigatie 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen