uitlaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·laat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitlaat uitlaten
verkleinwoord uitlaatje uitlaatjes

Zelfstandig naamwoord

uitlaat m

  1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden (vloeistof, damp of gas)
    • De uitlaat zat verstopt. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uitlaten

uitlaat

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    • ... dat ik uitlaat. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    • ... dat jij uitlaat. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    • ... dat hij uitlaat. 
     Maar er zijn ook veel verleidingen en risico’s op de werkvloer te vinden of als je de hond uitlaat.[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be