uitlaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·laat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitlaat uitlaten
verkleinwoord uitlaatje uitlaatjes

Zelfstandig naamwoord

uitlaat m

  1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden (vloeistof, damp of gas)
    • De uitlaat zat verstopt. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
uitlaten

uitlaat

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    • ... dat ik uitlaat. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    • ... dat jij uitlaat. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitlaten
    • ... dat hij uitlaat. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie