autostrade

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·to·stra·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord autostrade autostrades
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

autostrade v

  1. (verkeer) (België) autosnelweg
    • Ik reed niet op de autostrade van Antwerpen naar Brussel, maar op de autosnelweg van Amsterdam naar Utrecht. 

Gangbaarheid

45 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be