een

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
100 103 106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027


Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Lidwoord

een

  1. een onbepaald lidwoord dat in het Nederlands wordt gebruikt voor een onbepaald zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
    Is dat een merel of een kauwtje?
  2. ook voor meervouden in uitroepende zinnen die verbazing over een aantal uitdrukken
    En een mensen dat er kwamen kijken!
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
  • Vroeger volgden lidwoorden de naamvallen waarmee het bijbehorende zelfstandig naamwoord werd verbogen; deze verbogen vormen komen soms terug in afgeleide woorden en versteende uitdrukkingen. Streektalen kennen of kenden soms andere vormen. Het verdwijnen van deze vormen is geleidelijk gegaan en niet voor alle vormen in hetzelfde tempo. Het stelselmatig toepassen ervan lijkt bovendien altijd meer iets uit zeer verzorgde schrijftaal te zijn geweest. De vormen zijn hier in de huidige spelling vermeld, maar de schrijfwijze eene, eener en eenen waren vroeger gangbaar.
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig
1e: nominatief een oude gast ene oude jurk een oud paard
2e: genitief eens ouden gasts ener oude jurk eens ouden paards
3e: datief enen ouden gaste ener oude jurk enen oud paarde
4e: accusatief enen ouden gast ene oude jurk een oud paard
Verwante begrippen
Woordafbreking
  • een

Hoofdtelwoord

een

  1. het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I, zie één.
Afgeleide begrippen
enkelvoud meervoud
naamwoord een enen
verkleinwoord eentje eentjes

Zelfstandig naamwoord

een v / m

  1. het getal 1.
  2. nog een één extra
    Oke geef me er nog maar een, maar dat is dan ook echt het laatste wijntje dat ik drink.

Bijvoeglijk naamwoord

  1. verschillende zaken die zo met elkaar verbonden zijn dat ze eigenlijk een voorwerp geworden zijn
    De beroemde violist was één geworden met zijn viool.
  2. een en al helemaal
    Het jonge kind was een en al aandacht voor Sinterklaas en zijn Pieterbaas.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Telwoord (afr)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

een

  1. één


Nedersaksisch

Lidwoord

een

  1. een; een onbepaald lidwoord