ein

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ʔaɪ̯n/

Lidwoord

ein

  1. een



Limburgs

Telwoord (lim)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027
Uitspraak
  • IPA:
    • (Etsbergs): ɪn/
    • (Maastrichts): /ɛːn/

Hoofdtelwoord

ein

  1. één
Afgeleide begrippen

Lidwoord

ein

  1. een; vrouwelijk onbepaald lidwoord in de nominatief, datief en accusatief.
Verbuiging

Zelfstandig naamwoord

ein v

  1. één
Verbuiging



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • ein
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord einn

Bijwoord

ein

  1. circa, ongeveer
Telwoord (nno)
0
1
1
1
11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

ein (voor woorden met mannelijk of vrouwelijk geslacht)

  1. één
Verwante begrippen
  • ei (voor woorden met vrouwelijk geslacht)
  • eitt (voor woordne met onzijdig geslacht)
  • fyrste
  • første

Lidwoord

ein (voor woorden met mannelijk of vrouwelijk geslacht)

  1. een
Verwante begrippen
  • ei (voor woorden met vrouwelijk geslacht)
  • eit (voor woordne met onzijdig geslacht)

Onbepaald voornaamwoord

ein

  1. (een) iemand
Verwante begrippen
  • ei (voor woorden met vrouwelijk geslacht)
  • eit (voor woordne met onzijdig geslacht)
  • eitt (voor woordne met onzijdig geslacht)