nul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
Uitspraak
Woordafbreking
  • nul
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘telwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1508 [1] [2]

Hoofdtelwoord

nul

  1. getal, één minder dan één, in Arabische cijfers 0
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Nul op het rekest krijgen
iets wordt afgewezen
  • Hij is een nul in het cijfer
  • Uit het jaar nul zijn
Niets voorstellen
  • Van nul en gener waarde
waardeloos
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord nul nullen
verkleinwoord nulletje nulletjes

Zelfstandig naamwoord

nul v/m

  1. niks; de afwezigheid van iets
  2. scheldwoord, vaak gebruikt als iemand vindt dat iemand anders nergens goed in of voor is
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Telwoord (afr)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

nul

  1. nul



Deens

Telwoord (dan)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 106
3 13 30 109
4 14 40 1012
5 15 50 1015
6 16 60 1018
7 17 70 1021
8 18 80 1024
9 19 90 1027

Hoofdtelwoord

nul

  1. nul



Esperanto

Telwoord (epo)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

nul

  1. nul



Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   nul nuls
  vrouwelijk   nulle nulles

Bijvoeglijk naamwoord

nul

  1. (spreektaal) onbenullig, idioot, waardeloos
    «Cet ordi est vraiment nul comme truc.»
    Die computer is echt een waardeloos ding. [1]

Verwijzingen


Fries

Telwoord (fry)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

nul

  1. nul



Nedersaksisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Latijnse nullus

Hoofdtelwoord

nul

  1. nul; getal, één minder dan één, in Arabische cijfers 0
Schrijfwijzen
enkelvoud meervoud
naamwoord nul nullen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nul

  1. nul; niks; de afwezigheid van iets


Twents

Hoofdtelwoord

nul

  1. nul; getal, één minder dan één, in Arabische cijfers 0


Zelfstandig naamwoord

nul

  1. nul; niks; de afwezigheid van iets