enen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • enen

Zelfstandig naamwoord

enen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord één
    Hij gooide drie enen en een zes.
  2. meervoud van het zelfstandiɡ ɡebruikt een als tegenhanger van ander:
    Architectonisch vormt het een geometrisch geheel, van hoge spelonken, de enen smal, de anderen breed maar steeds rechthoekig.[1]

Hoofdtelwoord

enen

  1. datief oude verbogen vorm van één, voornamelijk gebruikt bij tijdsaanduidingen na voorzetsels
    Het is net even na enen.
Uitdrukkingen en gezegden

Lidwoord

enen

  1. (verouderd) datief van het lidwoord een bij een mannelijk of onzijdig woord
    Ach! wat ijselijke slagen, wat enen oceaan beroerd door lijkgezucht en jammervlagen u uwe Walvisch heeft ontvoerd.[2]
  2. (verouderd) accusatief van het lidwoord een bij een mannelijk woord
    Hang enen mantel om van wolken (...)[3]
Schrijfwijzen
Verwijzingen
  1. Debuyst, F. "De nieuwe Thermen van Vals (1996): architect Peter Zumthor" in: Vlaanderen. 286, jrg 50 nr. 3 (mei/juni 2001) Christelijk Vlaams Kunstenaarsverbond, Tielt; p. 166; geraadpleegd 2015-10-25
  2. Decker, J. de "Aan mijn broeder, op Batavia in Oost-Indië overleden" in: Grootes, E.K. e.a.(eds.) Vreugde en verdriet in kleine kring. (2006) Atheneum - Polak & Van Gennep, Amsterdam; ISBN 9789025302214; p. 108 r. 135; geraadpleegd 2015-10-25
  3. Decker, J. de "Aan de lente van het jaar 1658" in: Grootes, E.K. e.a.(eds.) Vreugde en verdriet in kleine kring. (2006) Atheneum - Polak & Van Gennep, Amsterdam; ISBN 9789025302214; p. 102 r. 97; geraadpleegd 2015-10-25