eenmaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·maal
Woordherkomst en -opbouw

Telbijwoord

eenmaal

  1. een enkele keer
    • Hij heeft die vergissing slechts eenmaal gemaakt. 
  2. nu ~ een feit dat niet veranderd kan worden
    • Hij heeft die vergissing nu eenmaal gemaakt. 
    • Sommige vrouwen zijn nu eenmaal enorme kletskousen daar moet je maar mee zien te leven. 
  3. als ... ~ geeft een verandering in omstandigheden aan bij een bepaalde gebeurtenis, eens
    • Als ik eenmaal een nieuwe baan heb zal ik je zeker trakteren. 
    • Als er eenmaal water door de dijk begint te komen, is een doorbraak onvermijdelijk geworden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.