eenmaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·maal
Woordherkomst en -opbouw

Telbijwoord

eenmaal

  1. een enkele keer
    Hij heeft die vergissing slechts eenmaal gemaakt.
  2. nu ~ een feit dat niet veranderd kan worden
    Hij heeft die vergissing nu eenmaal gemaakt.
    Sommige vrouwen zijn nu eenmaal enorme kletskousen daar moet je maar mee zien te leven.
  3. als ... ~ geeft een verandering in omstandigheden aan bij een bepaalde gebeurtenis, eens
    Als ik eenmaal een nieuwe baan heb zal ik je zeker trakteren.
    Als er eenmaal water door de dijk begint te komen, is een doorbraak onvermijdelijk geworden.
Vertalingen