Naar inhoud springen

eenzaam

Uit WikiWoordenboek
  • een·zaam
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘alleen’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • Afgeleid van één met het achtervoegsel -zaam.
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen eenzaameenzamereenzaamst
verbogen eenzameeenzamereeenzaamste
partitief eenzaamseenzamers-

eenzaam

  1. (psychologie) gebrek aan gezelschap ondervindend
    • De eenzame weduwnaar raakte aan de drank. 
     Mijn moeder zat eenzaam vooraan, aan weerszijden geflankeerd door de burgemeesters van Nieuwe- en Oude-Tonge, Van Hofwegen en Van Dijk, en de gemeentesecretaris van Bleskensgraaf, Gerard de Haan.[2]
     Doordat ik nu opeens zo afgezonderd was, voelde het alsof ik op een andere planeet was beland. Ik had verwacht dat ik me misschien eenzaam zou voelen, menselijk contact zou missen en onrustig zou worden.[3]
  2. zonder veel mensen dus rustig en stil
    • Ik fiets en wandel graag over eenzame wegen en paden in Twente. 
     Nu lagen ze voor haar: gebouwen waar je dwars doorheen kon kijken en eenzaam oprijzende afgebrokkelde muren die in de ijle zomerse avondlucht hulpeloos omhoogreikten naar een niet meer bestaand dak.[2]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]