Naar inhoud springen

one

Uit WikiWoordenboek
0 0 0 1
one,
op een abacus


Telwoord (Engels)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
1036 1039 1042 1045 1048 1051 1054 1057 1060 1063
1066 1069 1072 1075 1099 10100 10120 10303 103003

one

  1. één
    «There is only one president at the time»
    Er is altijd maar één president op ieder gegeven moment.

one

  1. zelfstandig: men, je
    «One is tempted to think that»
    Men is in de verleiding dat te denken.
    «One should not vandalize Wiktionary»
    Je moet WikiWoordenboek niet vernielen.
  2. zelfstandig: toegevoegd aan bijvoeglijke naamwoorden in zelfstandig gebruik. (blijft onvertaald).
    «I want a blue one, not a green one
    Ik wil een blauwe, niet een groene.
  3. bijvoeglijk: sommige, ene, een of andere
    «I was called by one John Atkins.»
    Ik werd opgebeld door ene John Atkins.
    «One day he will find out the truth»
    Er komt een dag dat hij de waarheid zal ontdekken.
enkelvoud meervoud
one ones

one

  1. het getal één, het cijfer 1
    «He cast the dice and scored two ones and a six»
    Hij wierp de dobbelstenen en gooide twee enen en een zes.


  • o·ne

one vmv

  1. zij [2] 3e persoon nominatief meervoud vrouwelijk