abacus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Abacus

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aba·cus
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord abacus abaci
abacussen
verkleinwoord abacusje abacusjes

Zelfstandig naamwoord

abacus m

  1. (wiskunde) raam met staven waarop balletjes kunnen schuiven om kinderen te leren rekenen
  2. (bouwkunde) dekplaat van een kapiteel
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders
53 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
abacus abaci
abacuses

Zelfstandig naamwoord

abacus

  1. (wiskunde) telraam, abacus


Latijn

Zelfstandig naamwoord

abacus m

  1. buffet
  2. speeltafel
  3. (wiskunde) telraam, abacus
Verbuiging



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • aba·cus
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Semitische woord "abaq" (bord)
Naar frequentie zeldzaam
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   abacus     abacusen     abacuser     abacusene  
genitief   abacus'     abacusens     abacusers     abacusenes  

Zelfstandig naamwoord

abacus, m

  1. (wiskunde) telraam, abacus (raam)
Schrijfwijzen
Synoniemen