veertig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
1036 1039 1042 1045 1048 1051 1054 1057 1060 1063
10100 10303
Uitspraak
Woordafbreking
  • veer·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘telwoord’ voor het eerst aangetroffen in 701 [1]
  • afgeleid van vier met het achtervoegsel -tig [2]

Hoofdtelwoord

veertig

  1. 4 x 10, in Arabische cijfers: 40, in Romeinse cijfers: XL
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ruim veertig

Zelfstandig naamwoord

veertig v / m

  1. het getal 40
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Telwoord (afr)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

veertig

  1. veertig



Limburgs

Telwoord (lim)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027
Uitspraak
  • IPA: /veːɐtɪx/ (Etsbergs)

Hoofdtelwoord

veertig

  1. veertig
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

veertig v

  1. veertig