Naar inhoud springen

men

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Men


  • men
  • In de betekenis van ‘onbepaald voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]

men

  1. iemand, maar niemand in het bijzonder
    • Men heeft dat gedaan om kosten te sparen. 
     Een halfjaar weg van mijn gezin vond men wel erg lang.[2]
  • Aan de veren kent men de vogel.
aan het uiterlijk (verzorging/kleding) kun je zien met wat voor iemand je te maken hebt. De kleren maken de man.
  • Aan de vruchten kent men de boom.
je kunt alleen iemand echt leren kennen door de dingen die doet en de manieren waarop iemand dingen aanpakt
  • Als het getij verloopt, verzet men de bakens.
als de omstandigheden veranderen neemt men andere nieuwe maatregelen, en stelt men andere uitgangspunten en doelen
  • Als het kalf verdronken is, dempt men de put.
als het ongeluk gebeurd is, helpt het niet meer voorzorgen te nemen. Betekent ook: men neemt pas maatregelen als het te laat is
  • Als men over de duivel spreekt, dan trapt men hem op zijn staart.
het over iemand hebben en die dan plots tegen het lijf lopen, of iets gebeurt terwijl je het er net over had
  • Bij het scheiden van de markt, leert men de kooplui kennen.
als de zaken eenmaal gedaan zijn leer je iemand pas kennen
  • Door schade en schande wordt men wijs.
een mens leert het beste van z'n fouten
  • Door vragen wordt men wijs.
door het stellen van vragen kun je veel te weten komen en veel kennis opdoen
  • Eén uur van onbedachtzaamheid, kan maken dat men jaren schreit.
één moment van onvoorzichtigheid kan verschrikkelijke gevolgen hebben
  • In de nood leert men zijn vrienden kennen
als je in moeilijkheden zit merk je wie echt je vriend is
  • In het huis van de gehangene spreekt men niet van de strop
  • In het veen ziet men niet op een turfje.
wie rijk is let niet op een euro meer of minder
  • Kijken alsof men z'n laatste oortje versnoept heeft.
verlegen en beteuterd kijken
  • Kijken of men het in Keulen hoort donderen
Stomverbaasd zijn
  • Komt men over de hond, dan komt men ook over de staart.
als men het moeilijkste gehad heeft is de rest eenvoudiger te doen
  • Komt men over de hond, dan komt men ook wel over de staart
  • men kan geen ijzer met handen breken.
iets niet doen omdat er op dat moment de tijd/middelen niet voor handen zijn
  • men moet de boom buigen als die jong is.
goede gewoonten kunnen het beste al jong worden aangeleerd
  • men moet de dag niet prijzen voor het avond is.
pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging
  • men moet de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is.
je moet niet geld uitgeven voordat je het hebt verdiend
  • men moet een gegeven paard niet in de bek zien/kijken.
met een cadeau moet je blij zijn en niet te kritisch naar kijken
  • men moet een paard de rug niet stuk rijden.
men moet niet te veel eisen van een ander
  • men moet geen oude bomen verpoten/verplaatsen.
je moet geen oude mensen uit hun vertrouwde omgeving halen
  • men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft.
je moet niet iets al afdanken zonder dat er een vervanger voor is
  • men moet het ijzer smeden als het heet is.
je moet op het juiste moment de kansen grijpen en dingen doen
  • men moet vossen met vossen vangen.
je moet een slimme persoon vangen door slim te zijn
  • men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan.
als er allerlei vervelende dingen worden verteld is er vast wel iets van waar
  • men vangt meer vliegen met honing dan met azijn.
door vriendelijk te zijn bereik je meer bij iemand dan met lelijke woorden
  • men weet nooit hoe een koe een haas vangt.
op onverwachte wijze tot een oplossing komen
  • Met de hoed in de hand komt men door het ganse land.
iemand die vriendelijk is bereikt meer in het leven dan iemand die onaardig en onbeleefd is
  • Van dik hout zaagt men planken.
niet al te nauwkeurig of zorgvuldig werken
  • Verdrinken eer men water gezien heeft
mislukken voordat het begonnen is
  • Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
men spreekt degene niet tegen van wie men voor zijn broodwinning afhankelijk is
  • Willen weten welk vlees men in de kuip heeft
eerst willen weten hoe iemand is
vervoeging van
mennen

men

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mennen
    • Ik men. 
  2. gebiedende wijs van mennen
    • Men! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mennen
    • Men je? 
96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]


Naar frequentie 33

men

  1. maar


men mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord man


  • men
  • Afkomstig uit het Zweeds en Deens
Naar frequentie 31

men

  1. maar
    «Han er stor og svær, men ingen arbeidskar.»
    Hij is groot en zwaar, maar geen arbeider.


  • men
  • Afkomstig uit het Zweeds en Deens

men

  1. maar