eenpersoons

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·per·soons
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van een en persoon met het achtervoegsel -s
stellend
onverbogen eenpersoons
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

eenpersoons

  1. bedoeld voor één persoon
    • Ze zult zelden een eenpersoons vakantiewoning aangeboden zien. 
  2. bestaande uit één persoon
    • Hij voert al jaren naar volle tevredenheid een eenpersoonshuishouden 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid