eentje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·tje

Zelfstandig naamwoord

eentje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord één
  2. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord een
    • Ik heb veel gelezen over de Hummer maar ik heb er nog nooit eentje gezien. 
  3. in je eentje: alleen zonder dat er andere mensen bij zijn
    • De eigenwijze man deed alles in zijn eentje. 
    • Als je op reis veel contact wil maken met de locals kun je beter in je eentje op vakantie gaan. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be