geen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geen
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: gheen, ghene
Oudnederlands: gēn
Germaans: *jainaz
  • Verwant in Germaans:
Engels: yon (Angelsaksisch: ġeon), Fries: gjin (Oudfries: nēn, nein)

Lidwoord

geen

  1. ontkennend onbepaald lidwoord tegenovergestelde van één, niet een
    • Dit is geen webstek met winstbejag. 
  2. ontkennend onbepaald lidwoord tegenovergestelde van een onbepaald meervoud of onbepaalde hoeveelheid, niet
    • Met deze schoenen kun je geen bergen beklimmen. 
    • Er zit geen suiker in de koffie 
  3. ontkennend bepaald lidwoord: niet, niet de, niet het
    • Hij zou geen paus worden. 
  4. nog geen: nu niets maar later wel
    • Ik heb nog geen huis gevonden in de stad waar ik nu werk, maar ik ben hard op zoek en zal er heus nog wel een vinden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Hoofdtelwoord

geen

  1. niet één, nul
    • Eergisteren zaten er nog vier kuikens in het nest, gisteren één en vandaag geen. 

Onbepaald voornaamwoord

geen

  1. niemand
    • Ik heb het alle deskundigen gevraagd, maar geen weet het antwoord. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.