eenvoudig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·vou·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eenvoudig eenvoudiger eenvoudigst
verbogen eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
partitief eenvoudigs eenvoudigers -

Bijvoeglijk naamwoord

eenvoudig

  1. niet ingewikkeld
    • De oefeningen die je moet maken zijn eenvoudig. 
  2. zonder overdaad of vertoon
    • Hij draagt een eenvoudige uitrusting. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen