eenvoudig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·vou·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eenvoudig eenvoudiger eenvoudigst
verbogen eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
partitief eenvoudigs eenvoudigers -

Bijvoeglijk naamwoord

eenvoudig

  1. niet ingewikkeld; uit één stuk
    • De oefeningen die je moet maken zijn eenvoudig. 
     Er ontvouwde zich een geraffineerd panorama bij de bocht. Aan het einde van de kade langs de gracht, die met eenvoudige meerpalen van blank hout was gearceerd, was de slanke boog van de Ponte del Gafaro getekend voor de oudroze gevel van een laag palazzo, die was voorzien van zeven hoge puntige ramen in een witmarmeren sponning en werd bekroond met de klokkentoren van een kerk daarachter.[3]
  2. zonder overdaad of vertoon
     Van eenvoudige monnik tot onsterfelijke kindervriend[4]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen