de

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: De

Nederlands

Naar frequentie 4
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: die
Oudnederlands: thie, thia
Germaans: *sa
Indo-Europees: *só
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: the, that, those (Angelsaksisch: sē), Duits: der, (Oudhoogduits: dēr), Fries: de, dy (Oudfries: thī)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: den, det, de (Nynorsk: det, dei, Oudnoords: sá), IJslands: sá, Faeröers: tann, tað, sá
Oost: Gotisch: sa

Lidwoord

de

  1. voorafgaand aan een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat het niet om een willekeurig persoon of ding gaat, maar dat duidelijk is om wie of wat het specifiek gaat
    • Een hond is vaak lief, maar de hond van mijn oom is vals. 
  2. (formeel) voorafgaand aan een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat het om de hele categorie gaat
    • De hond is een dier met een staart. 
  3. voorafgaand aan een bijvoeglijke naamwoord of rangtelwoord als dit zelfstandig gebruikt wordt
    • Van die honden is de tweede van links vals, maar de zwarte is heel lief. 
  4. per (bij prijzen)
    • Deze stof kost zes euro de meter. 
Opmerkingen
  • Omdat de net als het wordt gebruikt als het om een specifiek geval gaat, wordt het een bepaald lidwoord genoemd, in tegenstelling tot een dat een willekeurig geval aanduidt en onbepaald lidwoord heet. Maar als het bepaald lidwoord wordt gebruikt voor een generieke aanduiding van de hele categorie kan de betekenis dicht bij die van het onbepaald lidwoord liggen (vergelijk 2. met "Een hond is een dier met een staart"). Voor onzijdige bepaalde zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud wordt geen de, maar het gebruikt.
Afgeleide begrippen
  • (benadrukt)
  • degene, dewelke, dewijl, dezelfde, dezulke
  • Vroeger volgden lidwoorden de naamvallen waarmee het bijbehorende zelfstandig naamwoord werd verbogen; deze verbogen vormen komen soms terug in afgeleide woorden en versteende uitdrukkingen. Streektalen kennen of kenden soms andere vormen. Het verdwijnen van deze vormen is geleidelijk gegaan en niet voor alle vormen in hetzelfde tempo. Het stelselmatig toepassen ervan lijkt bovendien altijd meer iets uit zeer verzorgde schrijftaal te zijn geweest. In de spreektaal wordt den ook los van de naamvallen gebruikt voor woorden die beginnen met een klinker of met h.
naamval mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
1e: nominatief de oude gast de oude jurk (het oude paard) de oude gasten
2e: genitief des ouden gasts der oude jurk des ouden paards der oude gasten
3e: datief den ouden gaste der oude jurk den ouden paarde den ouden gasten
4e: accusatief den ouden gast de oude jurk (het oude paard) de oude gasten
Verwante begrippen
Citaten

De man; de vrouw; de boeken

Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Catalaans

Uitspraak

Voorzetsel

de

  1. van


Frans

Uitspraak

Voorzetsel

de

  1. van


Fries

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Lidwoord

de

  1. de
Schrijfwijzen

Verwijzingen


Iers

vorm van
de
Nadrukkelijke
vorm van
de
van mij díom díomsa
van jou díot díotsa
van hem, er
van haar, er
de
di
desean
dise
van ons dínn dínne
van jullie díbh díbhse
van hen, er díobh díobhsan

Voorzetsel

de + lenitie

  1. van


Latijn

Voorzetsel

+ ablatief

  1. (van plaats)
    1. van, uit, van...uit.
    «de castris procedere»
    uit het legerkamp weggaan
    1. van...af
    «de vehiculo dicebat»
    hij zei vanaf de wagen
  2. (van tijd)
    1. onmiddellijk na.
    «statim de auctione venire»
    meteen na de veiling komen
    1. nog in de loop van, nog tijdens.
    «de nocte venire»
    nog tijdens in de nacht komen
  3. (afstamming)
    1. van
  4. (delen van een geheel aanduidend)
    1. van, uit.
    «unus de multis milibus
    een van de vele soldaten
  5. (een zaak aanduiden waaruit iets anders is ontstaan)
    1. uit, van.
  6. (een geldbron aanduidend)
    1. uit, van.
    «de publico»
    uit de staatskas
  7. (causaal)
    1. wegens, door, om.
    «qua de causa»
    om welke reden
  8. overeenkomstig, naar.
    «de mea sententia»
    overeenkomstig mijn straf
  9. betreffende
    «de ceteris»
    betreffende het overige

Voorvoegsel

de

  1. af-, weg-.
  2. neer, af-.
  3. on-, ont- (als iets ontbreekt).
  4. volledig, zeer.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ðɐ/ (Etsbergs), /də/ (Maastrichts)
Woordherkomst en -opbouw
  • Verzwakte vorm van d'r

Lidwoord

de

  1. de, het.
Verbuiging
  • [1] Deze vormen zijn buiten gebruik geraakt.

Persoonlijk voornaamwoord

de

  1. onbeklemtoonde accusatief van doe.
enkelvoud meervoud
bepaald geheel de der
gemut. te ter
onbepaald geheel de de
gemut. te te

Voorzetsel

de (+datief)

  1. Per.
    «Det kömp drèè de daag.»
    Dat kost drie euro per dag.
Synoniemen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • de
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoordse voornaamwoord þeir
Naar frequentie 21

Aanwijzend voornaamwoord

de

  1. deze, die
Synoniemen
  • deres (genitiefvorm)
  • dem (accusatiefvorm, vorwerpsvorm)

Onbepaald voornaamwoord

de

  1. zij, ze

Persoonlijk voornaamwoord

de

  1. (3e persoon meervoud) zij
Schrijfwijzen
  • De (beleefdheidsvorm)
Synoniemen
  • deres (genitiefvorm)
  • dem (accusatiefvorm, vorwerpsvorm)
  • Dem (accusatiefvorm, vorwerpsvorm van de beleefdheidsvorm)
Noorse persoonlijke voornaamwoorden (in het Bokmål)
getal / respect pers. genus / bezield onderwerp (nominatief) nld. voorwerp (accusatief) nld.
enkelvoud 1e   jeg ik meg mij
2e   du jij deg jou
3e m persoon
m ding
han
den
hij han / ham
den
hem
v persoon
v ding
hun
den
zij henne
den
haar
o det het det het
meervoud 1e   vi wij oss ons
2e   dere jullie dere jullie
3e   de zij dem hen
beleefdheidsvorm 2e   De u Dem u

Voorzetsel

de

  1. (in uit het Frans ontleende frasen) de
  2. (in uit het Latijn ontleende frasen) de
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • de
Woordherkomst en -opbouw

Persoonlijk voornaamwoord

de

  1. (2e persoon meervoud) jullie
Schrijfwijzen
  • De (beleefdheidsvorm)
Synoniemen
  • dykkar (genitiefvorm)
  • dykk (accusatiefvorm, vorwerpsvorm)
  • Dykk (accusatiefvorm, vorwerpsvorm van de beleefdheidsvorm)
Nynorske persoonlijke voornaamwoorden
getal / respect pers. genus onderwerp (nominatief) nld. voorwerp (accusatief) nld.
enkelvoud 1e   eg ik meg mij
2e   du jij deg jou
3e m han hij han (honom) hem
v ho zij ho / henne haar
o det het det het
meervoud 1e   vi wij oss ons
2e   de jullie dykk jullie
3e   dei zij dei hen
beleefdheidsvorm 2e   De u Dykk u

Voorzetsel

de

  1. (in uit het Frans ontleende frasen) de
  2. (in uit het Latijn ontleende frasen) de
Afgeleide begrippen


Roemeens

Voorzetsel

de

  1. van, uit, over, als


Spaans

Uitspraak

Voorzetsel

de

  1. van


Tok Pisin

Zelfstandig naamwoord

de

  1. dag


Vietnamees

Zelfstandig naamwoord

de

  1. cinnamomum, kaneelboom


Volapük

Voorzetsel

de

  1. van


Xhosa

Voegwoord

de

  1. totdat


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 27

Persoonlijk voornaamwoord

de

  1. ze, zij (meervoud)