eenvoud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·voud
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eenvoud -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

eenvoud m

  1. afwezigheid van pracht en praal
    • mooi in al zijn eenvoud 
  2. dat iets niet ingewikkeld of complex is
    • Eenvoud is een kenmerk van het ware. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen