eenzijdig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·zij·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van een en zijde met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eenzijdig eenzijdiger eenzijdigst
verbogen eenzijdige eenzijdigere eenzijdigste
partitief eenzijdigs eenzijdigers -

Bijvoeglijk naamwoord

eenzijdig

  1. met of aan één kant, belang, partij etc; waarbij geen andere(n) betrokken zijn, of buiten beschouwing blijven
    • Het papier is eenzijdig bedrukt. 
    • Het is een nogal eenzijdig contract, de opsteller dacht alleen aan zijn eigen belangen. 
    • Het is een eenzijdig ongeval, hij reed zomaar tegen het hek, er was verder niemand in de buurt. 
  2. van een beslissing of afspraak dat één van de partijen de beslissing of afspraak aan de andere partijen oplegt
    • De docent was boos door de eenzijdige beslissing van haar superieur. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie