vier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027 1030 1033
1036 1039 1042 1045 1048 1051 1054 1057 1060 1063
10100 10303


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vier
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘telwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701 [1]

Hoofdtelwoord

vier

  1. het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iemand onder vier ogen spreken
praten met iemand zonder dat anderen erbij zijn
  • vier op een rij
enkelvoud meervoud
naamwoord vier vieren
verkleinwoord viertje viertjes

Zelfstandig naamwoord

vier v / m

  1. het getal 4.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vieren

vier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren
    • Ik vier. 
  2. gebiedende wijs van vieren
    • Vier! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren
    • Vier je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Telwoord (afr)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

vier

  1. vier



Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·er
Naar frequentie 28233

Werkwoord

vier

  1. tegenwoordige tijd van vie
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

vier, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van vi


Duits

Telwoord (deu)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027
Uitspraak

Hoofdtelwoord

vier

  1. vier


Friulisch

Zelfstandig naamwoord

vier

  1. (dierkunde) worm


Pennsylvania-Duits

Telwoord (pdc)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900
Uitspraak
Woordafbreking
  • vier

Hoofdtelwoord

vier

  1. vier
Synoniemen