Naar inhoud springen

zelf

Uit WikiWoordenboek
  • zelf

[A] zelf [6]

  1. in eigen persoon, niet een ander
    • Zeg nou zelf, zou ik ooit zoiets doen? 
     Dat zegt ook kennisinstituut Deltares, dat in Nederland een grote rol heeft in het onderzoek naar de bodem en water. "Deltares heeft een sterke relatie met de VU. We delen kennis, studenten studeren bij ons af of lopen bij ons stage. En een aantal van onze medewerkers komt daar ook vandaan, heeft daar een gedeelde aanstelling of is gedetacheerd", zegt wetenschappelijk directeur Bart van den Hurk, zelf ook gedetacheerd aan de VU.[7]
     Zelf moest ik ook erg nodig naar de wc, maar ik durfde na dit verhaal absoluut niet meer naar buiten.[8]
  2. in tegenstelling met iets anders
    • Hij was zelf echter niet geraakt door de kogel. 
  • Die zich zelf verhoogt, zal vernederd worden
  • Kommandeer je hond en blaf zelf
  • Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in
je kan het slachtoffer worden van je eigen snode plannen
  • Zich zelf kunnen bedruipen
enkelvoud meervoud
naamwoord zelf zelven
verkleinwoord - -

[A] zelf o

  1. eigen persoon (vaak gebruikt als eerste deel van een samenstelling om aan te geven dat het onderwerp en voorwerp van het tweede deel hetzelfde zijn)
    • Mijn zelf is verweven met en wordt gedefinieerd door al het andere dat bestaat. [9]
  2. (psychologie) besef van identiteit
    • Autisme. Het woord is nota bene afgeleid van 'zelf' in het Grieks, en nu zegt een van de belangrijkste autisme-theoretici dat autisten géén zelf bezitten. [10]
enkelvoud meervoud
naamwoord zelf -
verkleinwoord - -

[B] dezelfv

  1. (plantkunde) salie, benaming voor planten uit het geslacht Salvia op Wikispecies
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[11]