doe-het-zelfkassa

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doe-het-zelf·kas·sa
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doe-het-zelfkassa doe-het-zelfkassa's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

doe-het-zelfkassa v/m

  1. (economie) plaats waar een klant zonder hulp van personeel kan afrekenen
     Shoppen in de supermarkt is niet fijn. Aanschuiven aan de kassa is dat zéker niet. Aan de andere kant, wie het dagelijkse geklooi aan de doe-het-zelfkassa ziet, die begrijpt: dit is het óók niet. Het bespaart je een beetje tijd, soms – tot het fout loopt.[1]
Synoniemen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “De winkel zonder kassa (of kassier)” (27 JANUARI 2018), De Standaard