zelfvertrouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·ver·trou·wen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘geloof in zichzelf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1784 [1]
  • samenstelling van  zelf   en  vertrouwen   [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfvertrouwen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zelfvertrouwen o

  1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
    • Zijn zelfvertrouwen kreeg daardoor een flinke deuk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie