zelfvertrouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·ver·trou·wen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfvertrouwen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zelfvertrouwen o

  1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
    • Zijn zelfvertrouwen kreeg daardoor een flinke deuk. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen