zelfbouwer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·bou·wer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfbouwer zelfbouwers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zelfbouwer m [1]

  1. iemand die zelf de leiding neemt bij de bouw van zijn huis
    • Bouwen in eigen beheer vergt het nodige van de initiatiefnemers. Aardig is de profielschets die Van den Nieuwenhof geeft. Een goede zelfbouwer heeft volgens haar doorzettingsvermogen nodig, onderscheidt hoofdzaken van bijzaken, kan goed met tegenslag omgaan en heeft voldoende tijd over. [2] 
    • De KWB wil ook dat doe-het-zelvers een opleiding moeten kunnen volgen als voorwaarde om in aanmerking te komen als geregistreerde "zelfbouwer". [3] 
    • Een zelfbouwer heeft nu eenmaal andere verwachtingen van zijn architect dan een bouwheer die alles uitbesteedt. [4] 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen