zelfbehoud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·be·houd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfbehoud -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zelfbehoud o [1]

  1. de zorg om het eigen leven te bewaren
    • Die actie was puur zelfbehoud. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen