zelfbesef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·be·sef
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfbesef
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zelfbesef o

  1. weten dat je er bent; ergo sum
    • Racisme bestaat helaas overal, net als discriminatie om welke vermeende minderwaardige eigenschap dan ook. In mijn jeugd waren de bewoners van het dorp verderop al behoorlijk vreemd, en daardoor object van verachting. In mijn provinciale geboortestad waren wijken die beheerst werden door families met een clanachtig zelfbesef.[2] 
  2. bekend zijn met je eigen krachten en weten dat je wat waard bent
    • Maar het interview is verrassend goed. Dat ligt of aan Carice, die intelligent, relativerend spreekt, of het ligt er aan dat ze voor het eerst eens intelligent, relativerend wordt geïnterviewd. Dat zelfbesef pleit voor haar. Carice gleed de laatste tijd steeds vaker geforceerd naar binnen. De bekendmaking dat ze een grote rol in Game of Thrones gaat spelen voelde als een verlies; ze zat al in elke Nederlandse film, nu ging ze ook nog een van de beste Amerikaanse series annexeren.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf L. de Winter 29 november 2016 Racisme bestaat helaas overal
  3. NRC Joost de Vries 14 oktober 2011 Laat.Me.Toch.Met.Rust