zelfklever

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·kle·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfklever zelfklevers
verkleinwoord zelfklevertje zelfklevertjes

Zelfstandig naamwoord

zelfklever m

  1. een plakker met een zelfklevende laag
    • Je kunt er deze zelfklever opplakken als het voor vervoer gereed is. 
Synoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be