zelfklever

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·kle·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfklever zelfklevers
verkleinwoord zelfklevertje zelfklevertjes

Zelfstandig naamwoord

zelfklever m

  1. een plakker met een zelfklevende laag
    • Je kunt er deze zelfklever opplakken als het voor vervoer gereed is. 
Synoniemen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie