zelfoverschatting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·over·schat·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfoverschatting zelfoverschattingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zelfoverschatting v [1]

  1. jezelf belangrijker, kundiger, vaardiger en groter inschatten dan je eigenlijk bent
    • De vader echter spant op het punt van schaamteloze zelfoverschatting wel de kroon. Hoewel al viermaal eerder betrapt met te veel drank op, het bewijs van het NFI en de getuigenverklaringen heeft hij de moed, hersenloos zwerend op de dood van zijn vrouw, dat het één grote samenzwering tegen hem is.[2] 
    • Beleggers zijn gek op hun eigen valkuilen. Al honderden jaren maken ze dezelfde fouten. Zelfs met de emotieloze computerhandel. Hun hebberigheid en schromelijke zelfoverschatting zijn voor andere beleggers weer te gebruiken.[3] 
  2. het onderschatten van de problemen die je wilt oplossen; onderschatten van de taak die je nog te verrichten hebt
    • Nederland speelt op 15 september in Horsens bij de Denen. Het betreft een replay van de finale van de Europese titelstrijd, die Oranje deze zomer in Enschede met 4-2 won. Wiegman waakt voor zelfoverschatting na het gewonnen EK. "Kwalificatie voor het WK is geen ABC'tje."[4] 
    • Ik vrees dat zelfoverschatting hieraan te grondslag ligt. Waar je een defect aan je auto voorlegt aan een expert, denken we dat rendement maken op de beurs niet ingewikkeld kan zijn.[5] 
Synoniemen


Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 6 november 2017
  3. de Telegraaf T. Besteman 8 oktober 2017
  4. de Telegraaf 5 september 2017
  5. de Telegraaf 18 februari 2017