Naar inhoud springen

mijzelf

Uit WikiWoordenboek
  • mij·zelf

mijzelf

  1. eerste persoon enkelvoud, versterkte vorm van mij
    • Dat raakte mijzelf niet. 
     Thoreau ging hiertoe over omdat hij 'weg van de publieke opinie, weg van alle bestuur, van opvoeding, van maatschappij, besloten had mijzelf in het gezicht te zien'.[1]
     Die theorie kwam mijzelf goed uit, maar met mijn zoon had ik al tijdens mijn zwangerschap te doen.[2]
  enkelvoud meervoud
verplicht keuze verplicht keuze
1e persoon mij
me
mijzelf
mezelf
onsonszelf
2e persoon
(informeel)
jejezelfjejezelf
2e persoon
(formeel)
zichzichzelfzichzichzelf
2e persoon
(regionaal)
uuzelfuuzelf
3e persoon
zichzichzelfzichzichzelf

mijzelf

  1. eerste persoon enkelvoud, versterkte vorm van mij
    • Ik heb mijzelf eens flink verwend. 
     Een frisse rivier helemaal voor mijzelf, met als klap op de vuurpijl ook een aparte heetwaterbron.[3]
  • Deze vorm kan alleen gebruikt worden als de reflexiviteit optioneel is, dat wil zeggen dat het werkwoord zowel wederkerend als niet-wederkerend gebruikt kan worden.
98 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[4]
  1. Hans Achterhuis
    “De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9026315244
  2. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be