mijzelf
Uiterlijk
- mij·zelf
- samenstelling van mij en zelf
mijzelf
- eerste persoon enkelvoud, versterkte vorm van mij
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| verplicht | keuze | verplicht | keuze | |
| 1e persoon | mij me | mijzelf mezelf | ons | onszelf |
| 2e persoon (informeel) |
je | jezelf | je | jezelf |
| 2e persoon (formeel) |
zich | zichzelf | zich | zichzelf |
| 2e persoon (regionaal) |
u | uzelf | u | uzelf |
| 3e persoon |
zich | zichzelf | zich | zichzelf |
mijzelf
- eerste persoon enkelvoud, versterkte vorm van mij
- Ik heb mijzelf eens flink verwend.
- ▸ Een frisse rivier helemaal voor mijzelf, met als klap op de vuurpijl ook een aparte heetwaterbron.[3]
- Deze vorm kan alleen gebruikt worden als de reflexiviteit optioneel is, dat wil zeggen dat het werkwoord zowel wederkerend als niet-wederkerend gebruikt kan worden.
- Het woord mijzelf staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "mijzelf" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Hans Achterhuis“De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9026315244 - ↑ Lynn Berger“De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Persoonlijk voornaamwoord in het Nederlands
- Wederkerend voornaamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 97 %