Naar inhoud springen

zelfbeheersing

Uit WikiWoordenboek
  • zelf·be·heer·sing
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘het in toom houden van zijn gevoelens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1801 [1]
  • samenstelling van  zelf  en  beheersing 
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfbeheersing zelfbeheersingen
verkleinwoord

dezelfbeheersingv

  1. het in bedwang houden van eigen gevoelens, zoals emoties of kwaadheid.
    • Hij heeft als het er op aankomt geen zelfbeheersing. 
  2. de beheersing van het eigen gedrag
     En Elsa's vader heeft Mac en haar moeder heeft PC, en toen haar moeder een keer de computer van Elsa's vader wilde gebruiken en die niet deed wat haar moeder wilde, verloor ze haar zelfbeheersing en schreeuwde dat ze de pest had aan alle Apple-producten.[2]
     ' Hij zweeg even, want hij had moeite zijn zelfbeheersing te bewaren.[3]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]