hemzelf
Uiterlijk
- hem·zelf
- samenstelling van hem en zelf
hemzelf
- derde persoon enkelvoud, versterkte vorm van hem
- Ik raad jullie af, om hemzelf te gaan zoeken.
- ▸ Als zodanig zou hij dus ook de plicht om de waarheid te zien en te zeggen, niet erkennen; hij zou dit gevoel niet hebben; hij vraagt: waar komt die plicht vandaan? waar wil ze heen?, maar dit vragen wordt door hemzelf als problematisch beschouwd.[1]
- ▸ Ooit had hij een stierenkalf geslacht dat hem aan hemzelf deed denken, in de stugge ogen dacht hij zichzelf te herkennen.[2]
- Het woord hemzelf staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "hemzelf" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 92 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Paul van Tongeren“Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press
, ISBN 9789048529407 - ↑ Manik Sarkar“Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be