zelfverzekerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·ver·ze·kerd
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zelfverzekerd zelfverzekerder zelfverzekerdst
verbogen zelfverzekerde zelfverzekerdere zelfverzekerdste
partitief zelfverzekerds zelfverzekerders -

Bijvoeglijk naamwoord

zelfverzekerd

  1. vol zelfvertrouwen
    • Hij nam zelfverzekerd het woord. 
    • Als hij zelfverzekerd door de loopgraven beende en zich tot de mannen richtte, kon hij net zo veel enthousiasme als hij wilde in zijn woorden leggen als hij refereerde aan de verpletterende nederlaag van de vijand die met een laatste salvo de genadeslag zou krijgen, maar de mannen gaven hem alleen wat vaag gemopper ten antwoord en stemden voorzichtigheidshalve zwijgend toe door naar hun kistjes te kijken. [1] 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 13